Recente Zondagsvieringen

De vieringen uit het verleden zijn gepubliceerd per kerkelijke jaar in het Archief.

De meest recente vieringen zijn:

- 27.08.23: … om te mogen zijn wat wij in uw ogen zijn.” (Jef)
- 20.08.23: De Blijde Boodschap in een multiculturele samenleving (Marcel)
- 15.08.23: Feest van Maria opgenomen in de hemel (Marcel)
- 13.08.23: Lopen over water (Rik)
- 06.08.23: Themaviering klimaatrechtvaardigheid en ecospiritualiteit (Sabine)
- 30.07.23: Zoeken en vinden (Jan)
- 23.07.23: Wat met het onkruid en de tarwe? (Marcel)
- 16.07.23: De zaaier die blijft zaaien (Lut)
- 09.07.23: Mijn juk is zacht en mijn last is licht (Marcel)
- 02.07.23: Themaviering klimaatrechtvaardigheid (Ides)

De Preek van de week (Dominicanen) vind je via deze link: https://www.dominicains.be/nl/preekvandeweek

221120

Laatste zondag van het kerkelijk jaar (2022): Christus Koning

Ides Nicaise – Filosofenfontein 20 november 2022

 

Vóór de viering: G.F. Händel, Ouverture van Suite in D-groot voor trompet & orgelmuziek 

Welkom en kruisteken

Wat vliegt de tijd… Het kerkelijk jaar is alweer voorbij. Vandaag ronden we het af met het feest van Christus Koning, vandaar de feestelijke muziek als start van deze viering. Bovendien vieren we overmorgen het feest van de Heilige Cecilia, patroonheilige van de muzikanten en de koren, en dat willen we vandaag al inzetten met een extra streepje muziek tijdens de viering. 

Toch is het ook een feest in verschillende toonaarden. Want je zal merken dat de lezingen twee contrasterende koningsbeelden schetsen: een jubelende lofzang van Paulus op Jezus als koning van het heelal, en een scène van de gebroken Jezus aan het kruis, tussen twee criminelen in, met boven zijn doornenkroon het spottende opschrift ‘koning van de Joden’. Het contrast kan haast niet groter zijn: Jezus Koning en uitschot, aanbeden en bespot, bejubeld en uitgespuwd. Maar wij vieren hem als onze lieve Meester. Laat ons het even stil maken om ons open te stellen en hem te verwelkomen in ons midden.

 

Openingsgebed

Jezus, Gezalfde, liefste der mensen,

Dienaar en Meester,

Knecht en koning, 

Lam en herder,

Onvoorstelbaar was jouw leven. 

Weerzinwekkend jouw dood

Bovenmenselijk jouw roeping.

In onze ziel ben je gebrand,

Wij durven jou zelfs niet aan.

Maar God heeft jou opgetild

Tot eerste van allen

Licht en levensadem

Heiland, middelpunt 

en bron van alle liefde

Ons visioen voor eeuwig. Amen.

 

Lied 266: Moge ons voorwaar verschijnen

Inleiding op lezingen

Zoals gezegd krijgen we vandaag twee scherp contrasterende lezingen voorgeschoteld over het koningschap van Jezus. We beginnen met een soort visioen van Paulus. Probeer dit stuk niet rationeel te begrijpen –je leest het best eerder als een hymne dan als een theologisch tractaat. Het raakt historisch kant noch wal, maar toch raak je gefascineerd door de dichterlijke beeldspraak. Paulus wil met deze lofzang uiting geven aan zijn mateloze verering voor Jezus. Het lijkt alsof geen superlatief sterk genoeg is om zijn bewondering onder woorden te brengen. Voor Paulus heeft Jezus de klok van de geschiedenis als het ware terug op nul gezet: de ganse kosmos wordt door Hem volledig herschapen, er begint een nieuwe tijdrekening, en niets is nog zoals vroeger. Er komt een nieuwe wereldorde, met Jezus de Zoon van God in het middelpunt.

 

Eerste Lezing Kol. 1, 12-20 

Broeders en zusters, blijmoedig danken wij God, de Vader, omdat Hij u in staat stelde te delen in de erfenis van de heiligen en te leven in het licht. Hij heeft ons ontrukt aan het domein van de duisternis en overgebracht naar het koninkrijk van zijn geliefde Zoon. In Hem is onze bevrijding verzekerd en zijn onze zonden vergeven. Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene van heel de schepping. Want in Hem is alles geschapen in de hemelen en op de aarde, het zichtbare en het onzichtbare, tronen en hoogheden, heerschappijen en machten. Het heelal is geschapen door Hem en voor Hem. Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in Hem. Hij is ook het hoofd van het lichaam dat de kerk is. Hij is de oorsprong, de eerste, die van de dood is opgestaan om in alles de hoogste te zijn, Hij alleen. 

Lied 571: Alles wat adem heeft

 

Evangelie: Luc 23, 35-43 

Toen Jezus aan het kruis hing, stond het volk toe te kijken, maar de overheidspersonen lachten Hem uit en zeiden: “Anderen heeft Hij gered; laat Hij zichzelf eens redden als Hij de Messias van God is, de uitverkorene!” De soldaten brachten Hem zure wijn, en ook zij voegden Hem spottend toe: “Als Gij de koning der Joden zijt, red dan uzelf.” Boven Hem stond als opschrift in Griekse, Romeinse en Hebreeuwse letters: “Dit is de koning der Joden.” Ook een van de misdadigers die daar hingen hoonde Hem: “Zijt Gij niet de Messias? Red dan uzelf en ons.” Maar de andere strafte hem af en zei: “Heb zelfs jij geen vrees voor God terwijl je toch hetzelfde vonnis ondergaat? En wij ondergaan dat vonnis terecht, want wij krijgen wat wij door onze daden verdiend hebben; maar Hij heeft niets verkeerds gedaan.” Daarop zei hij: “Jezus, denk aan mij, wanneer Gij in uw Koninkrijk gekomen zijt.” En Jezus sprak tot hem: “Voorwaar, Ik zeg u: vandaag nog zult gij met Mij zijn in het paradijs.”

 

Commentaar

Zo visionair en jubelend als de lofzang van Paulus, zo verbijsterend is dit verhaal over het levenseinde van Jezus. Wie heeft in ’s hemelsnaam het idee gehad om deze twee teksten na elkaar te lezen op de laatste zondag van het kerkelijk jaar? Het voelt alsof Jezus ondersteboven wordt gedraaid. Na glorie komt de ultieme vernedering, de spot, de vernietiging. 

En toch is er iets gemeenschappelijks in beide lezingen: het uitzicht op bevrijding, op vergeving van het kwade. Jezus die het ultieme kwaad heeft ondergaan, stelt een bovenmenselijke daad van verzoening. In naam van God vergeeft hij de misdadiger die naast hem gekruisigd is. Jezus gaat hier elke menselijke redelijkheid te boven met zijn daad van vergeving. Pure genade – er is geen ander woord voor.

Als we willen zoeken naar menselijke voorbeelden die iets weerspiegelen van dit gebaar, moeten we ver gaan zoeken. Eén van die heroïsche verhalen speelt zich af in de VS na de aanslagen van 9/11. Een Amerikaans burger, Mark Stroman, wil de aanslagen wreken door zoveel mogelijk moslims te doden. Hij schiet onder andere een zekere Rais Bhuyian door het hoofd, die als bij wonder overleeft. Stroman wordt gearresteerd en enkele jaren later ter dood veroordeeld. Maar dan gebeurt het onverwachte: de moslim Rais Bhuyian verklaart in een reactie dat hij begrip kan opbrengen voor de instinctieve woede van zijn belager, dat waarschijnlijk heel veel mensen met soortgelijke wraakgevoelens kampen. Hij vergeeft hem en vraagt genade voor Stroman. Natuurlijk gaat het gerecht daar niet op in. Vóór zijn terechtstelling in 2017 stuurt Stroman Bhuyian een videoboodschap toe met de woorden: ‘Beste Mr. Bhuyian, dank voor uw inspirerende daad van mededogen. U hebt het onvergeeflijke vergeven, ik heb immens respect voor u. Dank daarvoor, doe zo voort!’ In verdere verklaringen zegt Bhuyian hierover: ‘Mijn inspanning om het leven van Mark Stroman te redden was gestoeld op de hoop dat mensen een nieuwe weg kunnen bewandelen, en werken aan een nieuwe samenleving gebaseerd op wederzijds respect, waardigheid en begrip. In onze huidige wereld is er teveel haat, onwetendheid en geweld. De enige manier om dit op te lossen is meer verbondenheid. Ben je christen, bezoek dan eens een moskee; ben je moslim, ga dan eens naar een kerk of een tempel. Dat zal de angst en de onwetendheid die onze wereld verdeelt overwinnen.’

Een ander voorbeeld, dichter bij huis: een koppel met drie kinderen zit in de auto in de file voor een openstaande brug te wachten. Een andere auto rijdt tegen hoge snelheid langs achter op hen in. Gevolg: de drie kinderen komen er met zware kneuzingen van af, maar de moeder die zwanger was krijgt een miskraam en de vader raakt deels verlamd. Toch slagen ze door hun geloof erin de automobilist van de andere wagen min of meer te vergeven. Ze zijn dankbaar dat ze het nog overleefd hebben. In plaats van tegen de dader een proces in te spannen accepteren ze dat hij als alternatieve straf 120 uren bij hen in het huishouden komt helpen. Een vonk van grootmoedigheid, van genade voor de dader, een spiegel van Gods helende liefde voor de mensen.

Uit dit soort ervaringen kunnen wij hoop en veerkracht putten: de overwinning van de Liefde op het Kwade. Dat is het ware koningschap van Jezus. Het is waarschijnlijk dat visioen dat ook Paulus tot zijn hymne heeft geïnspireerd. 

 

Lied 263: Gij verschijnt niet op de wolken

Offerande: orgelmuziek van Wannes

Lied 149: Oergebaar

 

Tafelgebed 167 (K.Gelaude) 

Acclamatie (2 laatste regels uit lied 266):

Moge ons verschijnen deze ogen licht en levensadem, 
knecht en koning, lam en herder, lieve meester, woord van God

Marcel: Gij zijt het

die gesproken hebt,

toen in de nacht van het begin.

Licht voorbij elke duisternis,

dat alles adem geeft

en dat wat uitgewist

en in de dood vernietigd lijkt,

opnieuw tot bloei zal brengen.

 

Ides: Gij zijt het,

verre stem in de woestijn,

die mensen leert te gaan

waar niemand kwam.

Door diepten ongezien

en zonder weten wat zal zijn,

onder de hoede van uw naam

‘Ik zal er zijn’.

 

Samen: Gij zijt het,

als een vriend dichtbij.

Gezien, herkend in Jezus.

Uw droom vervuld.

Liefde tot hoogste goed.

Dat evenbeeld werd Hij.

Van uw gerechtigheid

het menselijk gelaat.

 

Lied 266 (solo door Lut en Geert / acclamatie 1e maal met koor, 2e maal met allen)

 

Samen: Hij, die de avond

voor Hij sterven zou,

brood brak om het zegenend

te delen met zijn vrienden,

terwijl Hij zei:

Eet van dit brood.

Ik geef het u,

zoals ik alles heb gegeven,

opdat gij zelf moogt leven.

 

Zo nam Hij ook de wijn

en gaf de beker rond.

Zegenend dankte Hij en zei:

Laat dit mijn liefde zijn voor allen.

En drink daarom van deze beker.

Blijf zo met mij in Gods verbond,

door voor elkaar te doen

zoals Ik voor u heb gedaan.

 

Acclamatie: 2 laatste regels uit lied 266

 

Marcel: Gij zijt het,

die, toen alles bleek verstomd,

hem uit het graf geroepen hebt

en goddelijk verheven.

Opdat de vonken van zijn Geest

in onze ziel ontwaken.

En wij het aandurven

zelf deze wereld te vernieuwen.

 

Ides: Gij zijt het,

wonend onder allen

die zijn woorden leven.

Zij die zich telkens oprichten

en met zachte moed herhalen:

‘Vreest niet’,

tot dit als een lied van hoop

in iedereen mag klinken.

 

Acclamatie: 2 laatste regels uit lied 266

Onze Vader / Vredewens 

 

Communie (viool en accordeon: Schotse dans) 

 

Lied 393: In ’t laatste van de dagen

 

Slotgebed tot St-Cecilia

Heilige Cecilia, 

Caeli lilium – hemelse lelie

Martelares en kuise maagd,

Gehoorzaam aan uw ouders

Zijt gij gehuwd met Valerianus

Maar in uw zingend hart

Trouw gebleven aan God als uw ware liefde

En door uw standvastig geloof

Hebt gij uw man bekeerd 

en overtuigd tot blijvende onthouding.

Zo zijt Gij een voorbeeld van kuisheid voor ons allen

Al is dat nu een beetje te laat.

Ook uw muzikaal talent heeft zovelen geïnspireerd.

Academies, festivals, hymnen en composities allerhande

Zijn u toegewijd.

Wat zouden onze organisten, violisten, dirigenten en koren zijn 

Zonder uw heilige bescherming?

Wij bidden u:

Blijf hen bezielen en inspireren

Masseer hun stemmen en hun handen

Zodat Filosofenfontein tot in lengte van dagen

Ook uw muzikale fontein mag blijven.

Amen

 

Zegen en wegzending

221113

Filosofenfontein viering 13 november 2022

 

33ste zondag door het jaar

 

            “Vertrouwen versus zekerheid”

 

Jef Schoenaerts

 

Inleiding op het lied

“Die niet kunnen, niet willen geloven dat van de liefde één korrel vergaat…”

Is deze prachtige gedachte uit het lied van Kris en Arnout niet de grondmelodie van wat ons hier elke zondag opnieuw bijeenbrengt?   

Is het niet Jezus zelf die in woord en handelen gods belofte heeft waar gemaakt: van de liefde en van wat uit haar ontspringt, zal niets vergaan.  

Laten we deze viering openen door ons geloof in dat visioen uit te zingen. (001)

Openingslied: “Wie anders zou de hemel dragen”  (001)

 

Verwelkoming en inleiding

 

Laten we dit samenzijn plaatsen onder de hoede van onze god die wij noemen: Vader, Zoon en Heilige Geest

Wij, westerlingen, zijn mensen die voortdurend streven naar zekerheid op heel veel terreinen.  Voor alle mogelijke gebeurtenissen maken we draaiboeken, voor terugkerende  voorvallen hebben we procedures ontwikkeld.  Voor mogelijke schade aan have en goed dekken we ons in met verzekeringen allerhande, om mogelijke relatiebreuken te ondervangen stellen we een huwelijkscontract op, om eventuele schadeclaims te ondervangen dekken verantwoordelijken zich in via een afkoopsom.

Ook op geloofsvlak is een hang naar zekerheid ons niet vreemd.  Een geloofsbelijdenis kan functioneren als een set van stellingen over wie god is en wat hij – volgens het contract dat wij hem voorleggen - hoort te doen.    Ook sacramenten horen soms thuis in die hoek: als ik god aan mijn kant weet, versterkt mij dat in mijn zinzoeken.  En sommige geloofsgenootschappen lijken wel te beschikken over een rode telefoonlijn die hen rechtstreeks toegang geeft tot de bron, tot Jezus en tot de Vader zelf.

Maar voor een veilig pakket aan zekerheden moet je niet bij Jezus zijn. In het evangelie van vandaag horen we hoe Jezus dat soort denken ondergraaft.

Laten we het nu eerst stil maken in en rondom ons en bidden om mededogen 

Bede om mededogen: “Zegening” (196)

Openingsgebed

 

Onnoembare en Nabije,

 

In ons hart en in ons leven is niets voor Uw ogen verborgen.

Beter dan wij onszelf kennen en meer dan wij toegeven, hebt Gij weet van

     ons schamel geloof,

     onze onstandvastige hoop, 

     onze weifelende liefde.

In onze kleinheid en om ons leven te redden 

    voorzien we ons van zelf ontworpen zekerheden

    nemen we onze wensen voor werkelijkheid

    rekenen we op de tempel die we zelf hebben gebouwd.

Leer ons vertrouwen op Uw woord

   dat het geloof heil zal brengen

   dat de hoop niet zal doven

   dat uiteindelijk de liefde zal blijven.

Dit vragen we U in naam van Jezus, Uw zoon en onze broeder.  Amen.

 

Lezing evangelie: Lucas 21,5-19

 

Acclamatie “Uw woord” (126)

Homilie

Maar voor een veilig pakket aan zekerheden moet je niet bij Jezus zijn. 

In het evangelie van vandaag ondergraaft Jezus dat soort denken. 

Op het moment dat de omstaanders de lof zingen van de tempel, stelt Jezus dat de tempel zal worden afgebroken.   Hoeveel macht en zekerheid de tempel ook uitstraalt, hij is niet voor eeuwig.  En daarbij gaat het niet enkel over het gebouw, over de plaats van samenkomst of van gebed.   Het gaat over wat de tempel representeert: een strak denkkader, vaste rituelen, een geprivilegieerde groep bedienaren die alleenrecht claimen op gods-dienst. 

De omstaanders geven zich echter niet snel gewonnen.   Ook als Jezus spreekt over de verwoesting van de tempel, willen ze toch nog graag enkele zekerheden aan hun kant: wannéér zal het gebeuren? Welke tekenen zullen ons waarschuwen?   Geef ons tenminste die zekerheden zodat we de controle behouden.

Met zijn afwijzing van geloof dat letterlijk of figuurlijk in beton is gegoten, voert Jezus ons terug naar de grondhouding van geloof die teruggaat op Abraham, de zwervende Arameeër, de vader van het geloof: wie Jahweh volgt, zal altijd een zwerver zijn,  iemand die de eigen grond loslaat, die bereid is zonder verzekering de wereld in te stappen, zonder reistas, zonder een steen om je hoofd op te leggen.   Klamp je niet vast aan zekerheden die je wellicht zelf mee hebt gecreëerd, is de boodschap.

Wie zo onthecht in de wereld staat, zal niet met applaus verwelkomd worden.   Meer nog: wie zo leeft in het spoor van Jezus zal ook delen in zijn lot:  als zijn volgeling zul je te maken krijgen met tegenstand: vervolging, opsluiting, haat, … en dat “omwille van mijn naam”. Wie – in het spoor of in de geest van Jezus - spreekt en handelt vanuit een zoektocht naar gerechtigheid, wie zijn kop boven het maaiveld uitsteekt met de aanklacht tegen ontmenselijking in al zijn vormen: hij zal storm oogsten.  Hij zal de machten van het kwaad uitdagen en de vernietigende krachten van de dood tegenkomen.   

In plaats van zekerheid houdt Jezus ons vertrouwen voor: “Vertrouw op mijn woord” dat deze krachten van kwaad en dood niet het laatste woord hebben.  Wat we vandaag en ook volgende zondagen in vaak apocalyptische taal horen over het einde der tijden, slaat wellicht minder op het einde van de wereld, dan op het einde van déze wereld waarin kwaad en dood regeren.   Hoe hevig deze wereld zich presenteert als de échte werkelijkheid en tegenspartelt, hij is ten dode opgeschreven.   Het einde ervan is trouwens al begonnen, zie je het niet?   Zie je het niet in wat Jezus doet, zie je het niet in wat de velen die gerechtigheid en humaniteit nastreven en de nieuwe wereld mee vorm geven, doen: de moedige vrouwen in Iran, Navalny en zoveel andere critici van het regime in Rusland, de Congolese gynaecoloog Denis Mukwege, de dappere vrouwen in Afghanistan?  Put daar vertrouwen uit!

Ook voor elk van ons is het aandeel weggelegd om die nieuwe wereld, dat Koninkrijk gods mee vorm te geven.  De zekerheid dat hij zal doorbreken, staat niet in steen gebeiteld, komt er niet als een deus ex machina, komt niet zonder meer uit de hemel gevallen.   Niet alleen voor de Tessalonicenzen en andere christengemeenschappen van het eerste uur maar ook voor ons zijn de woorden van Paulus  bedoeld: verwaarloos niet wat je taak is op de plaats waar je leeft, maar ga aan het werk.   Vertrouw er in deze tussentijd op dat god zelf de aanzet heeft gegeven en tegelijk dat de groei van het koninkrijk ook op jou appel doet.  

Lied “Die er zal zijn” (524)

Muziek bij offerande

“Oergebaar” (lied 149)

Eucharistisch dankgebed: “Die naar menselijke gewoonte…”  (150)

Onze Vader

Muziek bij de communie

Lied na de communie “Die mee gaat met mensen…” (317)

Slotgebed: idem als openingsgebed

Zegen

221106

Hij is geen God van doden, maar van levenden, want voor hem zijn allen in leven.

32ste zondag door het jaar, 6 november 2022. Lut Saelens

Intredelied 510: Wees hier aanwezig

Inleiding: 

Terwijl ik kan genieten van verkleedpartijtjes, is Halloween een feest waar ik helemaal niet van houd. We worden er geconfronteerd met een beeld van de dood als de makabere ster-acteur in een horrorsprookje. Alsof de dood thuishoort in een wereld van fictie en fantasie. Zo kwam ik onlangs, toen ik op bezoek was bij iemand in het rusthuis, terecht in een Halloweenfeestje. Men had er geld noch moeite gespaard om een Halloweensfeer te creëren. Daar hoorde voor iedereen een heksenhoed bij. Het beeld van een zaal vol zwarte heksenhoeden op hoofden met verweerde gezichten, door een gans leven getekend en op de drempel van de dood, vond ik bijzonder vervreemdend. Eigenlijk ook cynisch omdat in de meeste  rusthuizen de naderende dood van de bewoners een taboeonderwerp is. Dood en leven, in onze maatschappij zijn het vreemden van elkaar geworden. Hoe dichter we echter tot hun essentie komen, hoe meer we ervaren dat ze bijeen horen. Hoe kijken wij ernaar en vooral, hoe gaan we emee om? Vandaag zet Jezus ons een stukje op weg in het verhelderen van wat voor ons met een waas van mysterie bedekt blijft. 

Lied 315: Lied van de aarde.

Openingsgebed:  Klein danklied: 

Gij hebt, o God, dit broze
bestaan gewild,
hebt boven 't naamloze
mij uitgetild, 

laat mij dan dankbaar leven
de volle tijd,
geborgen in de bevende zekerheid,

dat ik niet uit dit smal en onvast bestand
van mijn bestaan zal vallen dan in uw hand.

Ad Den Besten

 

Inleiding tot het evangelie

Jezus en zijn leerlingen zijn aangekomen in Jerusalem. Voortdurend stellen de joodse leiders  hem op de proef. Deze keer zijn het de Sadduceeën die hem willen op de rooster leggen. Ze willen Jezus confronteren met de absurditeit van het geloof in het voortbestaan van de mens na de dood. Dood is dood voor hen, zoals trouwens voor de meeste mensen in onze Westerse wereld. Zeker van hun stuk leggen de Sadduceeën een door hen goed uitgekiende situatie voor: een getrouwde man sterft kinderloos, volgens de wet van Mozes over het zwagerhuwelijk moet zijn broer met de weduwe huwen om toch voor een nageslacht te zorgen langs mannelijke lijn. Maar die broer sterft ook kinderloos en zo volgen er nog vijf huwelijken met de andere broers en met dezelfde ongelukkige afloop. Een situatie die alle verbeelding tart en die in onze tijd zeker het Guiness Book of World Records zou halen. En dan komt de vraag, de bananenschil waar ze Jezus willen zien op uitglijden: Van wie van die mannen is die arme zevenvoudige weduwe de vrouw in het hiernamaals?  Luisteren we naar de tekst uit Lucas.

Lied 550: Een lied op dood en leven

Evangelie: Lc. 20, 27-38

Homilie:

Bij het lezen van dit evangelie kwam bij mij vooral het laatste vers binnen: Hij is geen God van doden, maar van levenden, want voor hem zijn allen in leven. Dergelijke boodschap versterkt mijn vertrouwen: zo lang ik God een plaats geef in mijn leven zal alles uiteindelijk goed komen, zal ik niet in het niets verdwijnen, ook al bevind ik mij vaak in het oog van de storm. Een vertrouwen dat mijn leven draagt en ook draaglijk maakt in tijden van tegenspoed. 

We kunnen op verschillende manieren naar dood en verlies kijken: als een defintief einde, of als voorwaarde tot ont-wikkeling, tot de geboorte van iets nieuws, tot verrijzenis. Zoals dit ook momenteel in de natuur gebeurt: de vallende bladeren zorgen ervoor dat de boom in de winter krachten kan verzamelen om verder te groeien. Zo is het vaak ook in ons leven nodig dat we afscheid nemen van datgene wat ons verhindert in onze groei. Sterven en loslaten zijn onlosmakelijk verbonden met nieuw leven. Soms dwingt het leven ons om er met andere ogen naar te kijken en vroegere patronen of overtuigingen los te laten: levensbedreigende ziekte, de kwalen van het ouder worden, de dood van geliefden, een scheiding…We hebben soms niet veel in de pap te brokken met wat ons overkomt. Maar hoe we in het leven staan bepaalt grotendeels hoe we ermee omgaan. Blijven we ons wentelen in ons ongeluk en ons slachtofferschap? Houden we krampachtig vast aan wat we verloren zijn? Of putten we uit deze ervaringen inspiratie om onze prioriteiten te verleggen, ons minder zorgen te maken over onbelangrijke zaken en tot een uitgezuiverd zelfbeeld te komen, dichter bij onszelf en onze medemensen. Dichter bij het échte leven. Treffender dan Marcel kan ik het niet zeggen: ‘Het echte leven, dat wat meestal verborgen blijft voor de buitenwereld, is er een van diepe armoede waardoor je, aangekomen op de bodem van het Niets, ontdekt dat er een ander leven is van diepe verbondenheid: verbondenheid naar binnen met je eigen Grond en verbondenheid naar buiten met alles en iedereen die leeft. In deze verzonkenheid kom je terecht bij het Leven zoals het altijd reeds was, waaruit ikzelf werd geboren en waaruit zoveel anderen ontstonden en weer terugkeerden. Tot daar de woorden van Marcel. Bij deze woorden moet ik denken aan het getuigenis van Kristien Emmerechts over de spirituele en religieuze evolutie die ze in haar leven meemaakte en hoe bepalend die geweest is in de manier waarop ze omging met verlies. Als jonge moeder die kort na-een twee kinderen verloor sloot ze zich volledig af van de wereld, bouwde ze een muur rondom zich waarachter ze zich verschanste, verbitterd om wat haar, Kristien Emmerechts, werd aangedaan. Veel later, toen ze haar man verloor en intussen reeds een ganse spirituële evolutie had doorgemaakt kwam ze op de boden van haar verdriet in diepere verbinding met zichzelf, haar nabestaanden en met iedereen die op deze wereld  geliefden moest afgeven. Ze getuigt hoe die verbinding haar heelde en haar dichter bij het échte leven bracht. 

Mijn diepe wens is dat ook onze maatschappij dergelijke spirituële evolutie meemaakt. Indien we blijven vastzitten in het geloof dat enkel wat tastbaar en meetbaar is bestaat, dat we de complexiteit van ons bestaan kunnen in kaart brengen en beheersen via de juiste algoritmen, dreigen we nog verder vast te lopen en te vervreemden van wat en wie we in essentie zijn. Hoeveel zouden we winnen indien we de illusie en de overtuiging  zouden kunnen loslaten dat alles beheersbaar en controleerbaar is en moet zijn? Indien we ons wat meer zouden bewust zijn van onze grenzen en onze kwetsbaarheid en van het feit dat ook falen behoort tot de essentie van ons menszijn? Indien we opnieuw zouden kunnen in vertrouwen ruimte geven aan-, en ons verbinden met wie groter is dan onszelf?  Indien we ons zouden durven openstellen voor de inbreng van de Geest, wiens blik zoveel verder reikt dan  onze menselijke horizon? Indien we als maatschappij dergelijke evolutie zouden meemaken,  dan zouden we, om het met Leonard Cohen te zeggen, licht zien doorheen de barsten van ons menselijk bestaan. Dan zouden we misschien, bewust van onze kwetsbaarheid, ons als broeders en zusters van eenzelfde vader/moeder verenigen. Geïnspireerd door de Geest, zouden we dan misschien samen totaal nieuwe benaderingen vinden en zo ook als maatschappij verder stappen zetten naar de realisatie van Gods Rijk hier op aarde. 

Willen we als maatschappij ons laten leiden door onze angst? Of groeien we verder in vertrouwen en mobiliseren we vandaaruit de energie en de inspiratie om samen te bouwen aan een nieuwe wereld? 

Vanuit die houding zullen we met meer wijsheid en vertrouwen omgaan met crisis en dood, in de overtuiging dat voor wie met God verbonden is, het leven altijd de overwinnaar is. Dat is het antwoord dat Jezus geeft op de absurde vraag van de Sadduceeën. Een antwoord dat de weg opent naar eeuwig leven. Amen.

Oergebaar: 149

Tafelgebed: 167 Gij zijt het..(Blijf ons dan roepen dat wij opstaan…)

Onze Vader

Vredeswens

Na de communie: lied 556: Waarom wanneer uit welke luchtlaag

Slotbezinning: Met U zijn er geen verten meer- Felix Timmermans

Met U zijn er geen verten meer
en alles is nabij.
Des levens aanvang glinstert weer,
geen gisteren en geen morgen meer,
geen tijd meer en geen uren,
geen grenzen en geen muren;
en alle angst voorbij,
verlost van schaduw en van schijn,
wordt pijn en smart tot vreugd verheven!

Hoe kan het zo eenvoudig zijn!
Hoe kan het leven Hemel zijn,
met U, o kern van alle leven!

Lied 196: Zegening  (met vrede gegroet…)

221101

1 November 2022 - Feest van Allerheiligen

 

Olivier Riaudel O.P.

Inleiding

Heeft iemand van jullie een kat of een hond? Zoals u weet zijn er katten van alle rassen, min of meer zuivere rassen, en mengsels van verschillende katten uit de buurt, of verschillende honden. In het Frans heten de straatkatten “chats de gouttière” Dakgootkatten. Maar beide zijn katten (of honden). Katten voor shows, en straatkatten.

Hetzelfde geldt voor heiligen. Er zijn er zoals de showkatten, die worden op altaren gezet, er worden standbeelden van gemaakt, en dan zijn er de straatheiligen, meer gemengd natuurlijk, maar het zijn echte heiligen. En we hebben allemaal deze straatheiligen ontmoet.

Op dit feest van alle heiligen vieren we niet een paar helden die “boven de massa uitsteken”. We vieren wat er gebeurt als onze menselijkheid wordt overweldigd door Gods liefde. En dat zijn we allemaal, al is het maar een beetje, en zelfs als we niet op de altaren worden gezet.

Het is het feest van ons mens-zijn wanneer het wordt overweldigd door de ontmoeting met God, zijn liefde en zijn mysterie. Helaas weten we niet zo goed hoe we over deze menselijkheid moeten spreken. We spreken over hen volgens andere criteria dan die van liefde en mysterie, en we maken van de heiligen personages die een beetje storend zijn, onmenselijke wezens, bewakers van de deugd, modellen van opoffering.

De aureool, die het symbool zou moeten zijn van een innerlijke uitstraling, van een mensheid die zo door God wordt overweldigd dat zij een glimp van iets goddelijks oproept, worden merkwaardige metalen of gouden kronen, die laten zien dat deze mensen niet zijn zoals wij.

Laten wij ons verheugen op dit feest van alle heiligen, want zij zijn de waarheid van onze mensheid, en vooral de waarheid van onze kerk. Onze kerk is geen kerk van notabelen, en hoeveel misbruikers er ook zijn, onze kerk is de kerk van de heiligen...

Bezinning

Uit: Georges Bernanos, Jeanne relapse et sainte, 1934

Het uur van de heiligen komt altijd. Onze kerk is de kerk van de heiligen. Wie haar met wantrouwen benadert, meent alleen maar gesloten deuren, barrières en loketten te zien, een soort geestelijke gendarmerie. Maar onze kerk is de kerk van de heiligen. Welke bisschop zou, om een heilige te zijn, niet zijn ring, zijn mijter, zijn kromstaf geven? Welke kardinaal niet zijn purper, welke paus zijn witte mantel, zijn kamerdienaren en Zwitserse garde? Wie zou niet de kracht willen hebben om dit bewonderenswaardige avontuur aan te gaan? Want heiligheid is een avontuur, ja het is het enige avontuur. Wie dit eenmaal begrepen heeft, is in het hart van het katholieke geloof getreden, heeft in zijn sterfelijk lichaam een andere verschrikking gevoeld dan die van de dood, een bovenmenselijke hoop. Onze kerk is de kerk van de heiligen. Maar wie geeft er om de heiligen? Men zou willen dat ze oude mannen waren met veel ervaring van politiek, maar de meesten zijn kinderen. Maar de kindertijd staat alleen tegen allen. De slimmeriken halen hun schouders op en glimlachen: Welke heilige heeft er iets aan om door kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders te worden geprezen? Hé, wat doet de geestelijkheid hier! Waarom willen ze dat men toegang heeft tot deze heldhaftige persoon zoals iemand die meent dat het koninkrijk der hemelen als een stoel aan de academie wordt verleend, alsof alles regelbaar is, namelijk door iedereen met rust te laten? God heeft de Kerk gemaakt voor het heil van de heiligen en opdat hun gedachtenis zou worden doorgeven, zodat een stroom van eer en poëzie niet verloren zou gaan met het goddelijke wonder (…) Onze kerk is een kerk van de heiligen. Wie zou deze kudde van engelen bewaken? De geschiedenis alleen, met haar summiere methode, haar bekrompen en harde realisme, zou hen gebroken hebben. Onze katholieke traditie draagt hen mee, zonder hen te kwetsen, in haar universele ritme. De heilige Benedictus met zijn raaf, de heilige Franciscus met zijn gitaar en zijn Provençaalse verzen, Jeanne met haar zwaard, Vincentius à Paulus met zijn sjofele soutane, en de laatste die kwam, zo vreemd, zo geheim, verminkt door de ondernemers en handelaren in spiritualiteit, met haar onbegrijpelijke glimlach - Thérèse van het Kind Jezus. Waren ze maar allemaal, tijdens hun leven, in een schrijn gezet? Aangevallen met hoogdravende scheldwoorden, op de knieën gegroet, bewierookt? Zulke vriendelijkheden zijn goed voor kanunniken. Ze leefden en leden zoals wij. Ze werden bekoord zoals wij. Ze kregen de volle lading, meer dan een keer zonder ze te ontwijken en bezweken eronder om te sterven. Wie onder ons die het heilige en het goddelijke uit hun voorbeeld durft halen ziet niet hun heldhaftigheid en eervolheid. Maar wie zou zich niet schamen om hen snel hun lange weg zo alleen te laten vervolgen? Wie zou zijn leven willen verspillen met piekeren over het probleem van het kwaad, in plaats van zich in te zetten? Wie zal weigeren de aarde te bevrijden? Onze kerk is de kerk van de heiligen. Heel deze machine van wijsheid, kracht, soepele discipline, grootsheid en majesteit is niets van zichzelf, als de naastenliefde het niet bezielt. Maar middelmatigheid zoekt daarin slechts een solide verzekering tegen de risico's van het goddelijke. Wat maakt het uit! Het kleinste jongetje van onze catechismuslessen weet dat de zegen van alle mannen van de Kerk samen nooit vrede zal brengen, behalve aan zielen die er al klaar voor zijn, aan zielen van goede wil. Geen rite onttrekt zich aan de liefde. Onze kerk is de kerk van de heiligen. Nergens anders zou men zich zo’n avontuur willen voorstellen, dat zo menselijk is. Dat van een kleine heldin die op een dag van de brandstapel van de inquisiteur zachtjes overgaat naar het paradijs, terwijl honderdvijftig theologen toekijken. “Als we tot dat punt zijn gekomen”, schrijven de rechters aan de paus, “dat heksen die valselijk in naam van God spreken, zoals deze vrouw van het bisdom Beauvais, beter worden onthaald door het lichtzinnige volk dan pastoors en doctores in de theologie, dan is het afgelopen, dan gaat de godsdienst ten onder, stort het geloof in, en wordt de Kerk met voeten getreden, de ongerechtigheid van Satan zal de wereld overheersen…” En nu, iets minder dan vijfhonderd jaar later, wordt de beeltenis van de heks in de Sint-Pieter in Rome getoond - zij is inderdaad geschilderd in krijgerstenue zonder mantel of verfijnde kleding - en honderd meter lager zou Jeanne een kleine blanke man hebben gezien, neergebogen, die de paus zelf is. Onze kerk is de kerk van de heiligen. Van de paus tot de brave misdienaar die de wijn uit de kannetjes drinkt, iedereen weet dat er maar een heel klein aantal biddende abten en diplomatieke prelaten op de kalender staan. Alleen een of andere zelfingenomen man met een dikke buik en een gouden ketting kan daaraan twijfelen, die vindt dat de heiligen te hard van stapel lopen en graag met kleine stapjes de hemel wil binnengaan, als in de kerkbank, met de pastoor als metgezel. Onze kerk is de kerk van de heiligen. Wij respecteren de kwartiermakers, de provoosten, de majoors en de cartografen, maar ons hart gaat uit naar de mensen aan het front, ons hart gaat uit naar hen die worden gedood. Niemand van ons die onze last - vaderland, beroep, familie - draagt, met onze arme gezichten uitgehold door angst, onze harde handen, de enorme saaiheid van het dagelijks leven, van het dagelijks te verdienen brood, en de eer van onze huizen, niemand van ons zal ooit genoeg theologie kennen om kanunnik te worden. Maar we weten genoeg om heiligen te worden. Laat anderen het koninkrijk van God in vrede besturen! Wij hebben genoeg te doen om met veel moeite elk uur van de lange dag te grijpen tot het verwachte uur, het unieke uur waarop God zich verwaardigd over zijn uitgeput schepsel te ademen, O Dood zo fris, O enige morgen! Laat anderen voor het geestelijke zorgen, argumenteren, wetten maken: wij houden het tijdelijke in onze handen, wij houden het tijdelijke koninkrijk van God in onze handen. Wij bewaren de erfenis van de heiligen. Want sinds de wijnstok en het koren met ons gezegend zijn, de steen van onze drempels, het dak waar de duiven nestelen, onze arme bedden vol dromen en vergetelheid, de weg waar de wagens kraken, onze jongens met hun harde lach en onze meisjes die huilen op de rand van de fontein, sinds God zelf ons bezocht, is er iets in deze wereld dat onze heiligen hebben moeten hernemen, is er iets dat zij niet konden geven?

Georges Bernanos, Jeanne relapse et sainte, 1934

221023

30e zondag (2022) - “Een ticket voor de hemel? “

 

Paul Caroen o.p.

 

Openingszang: lied 104 Gegroet en gezegend

Openingsbezinning

            Denk na, maak je eigen keuze, zegt God,

            Voordat je mijn weg gaat en mijn leven leidt,

            Want je zult geen aanzien krijgen.

            Denk na, maak je eigen keuze

            Voordat je mijn brood eet en mijn wijn drinkt

            Want je zult niet in een paleis wonen.

            Denk na, maak je eigen keuze

            Voordat je mijn woord verkondigt,

            Want je zult altijd een dienaar moeten zijn.

            Denk na, maar als je “JA” zegt,

            Is het de ontdekking van je leven !

 

Lied 518 Zoals de mensen leven

 

Inleiding op het Evangelie

            Goede Vrienden,

            Vandaag komt “het Dikke Nek Syndroom” ter sprake.

            In het evangelie lezen we dat Jezus ons waarschuwt:

             De “zelfgenoegzaamheid” vormt een obstakel om door God gehoord te worden!

            Wij leven in een bikkelharde en agressieve wereld.

            Instinctmatig zet ons dat aan tot een reflex van zelfverdediging.

            Een goede meditatie zal ons de subtiele grens leren plaatsen

            tussen een verantwoorde zelfverdediging en een narcistische

            zelfgenoegzaamheid.

            Laten wij elkaar dus nederig en met open handen tegemoet gaan!

 

Evangelie Lucas 18, 10-14

 

Twee mensen gingen naar de tempel om te bidden,

De een was een farizeeër, de ander een tollenaar.

De farizeeër ging daar staan en sprak in gebed over zichzelf:

“God, ik dank U dat ik niet ben zoals de andere mensen,

hebzuchtig, onrechtvaardig en overspelig,

of zoals die tollenaar daar !

Ik vast tweemaal per week en geef een tiende weg van al mijn inkomsten.”

De tollenaar daarentegen, die op een afstand bleef staan,

Durfde zelfs zijn ogen niet naar de hemel op te slaan.

Hij sloeg zich vol berouw op de borst en zei:

“O God, genade voor een arme zondaar!”

En Jezus concludeerde:

Ik verzeker jullie dat deze man gerechtvaardigd naar huis ging; 

de ander niet.

Want ieder die zich verheft zal vernederd worden;

maar wie zich vernedert, zal verheven worden.”

Lied 516 Gij die voor alle mensen

 

Homilie

 

Goede Vrienden,

Associeert U het begrip “farizeeër” met schijnheiligheid of met nog andere negatieve eigenschappen?  Dan verwonder ik U misschien als ik beweer dat de farizeeêrs hooggeacht waren in de Joodse gemeenschap? Deze groep in zekere zin ook een politieke partij, was ontstaan als een reactie tegen de Grieks-Romeinse tendensen die door rechtgeaarde joden beschouwd werden als een verloedering.  Het waren mensen die hun godsdienst zeer plichtsgetrouw beleefden. De figuur die Lucas ons voor de ogen houdt was nog plichtsgetrouwer dan wat officieel voorgeschreven was: hij vast niet eenmaal maar tweemaal per week en geeft 10 % van zijn inkomen aan de armen!

Voorzeker een achtenswaardig iemand! 

Daarom neemt Jezus hem als tegenbeeld van de tollenaar.

Een tollenaar is in de ogen van de goegemeente een collaborateur met de Romeinse bezetter en een bedrieger. Beroepshalve int hij bij de bevolking de door de overheid vereiste belastingsgelden. Hij doet dit werk als een ‘zelfstandige’: hij krijgt hiervoor geen loon van de overheid, maar leeft van wat hij kan innen bovenop het vastgestelde belastingen Een werkwijze die rechtstreeks aanzet tot misbruik. Logisch dus dat hij alom geminacht wordt.

Ik zie bij de toehoorders van Jezus al eerbiedige buigingen bij de beschrijving van de farizeeër, gevolgd door boegeroep als de tollenaar ter sprake komt!  En dan komt het allicht schokkend besluit van Jezus: alleen de tollenaar krijgt rechtvaardiging!

Wij weten al van andere getuigenissen dat Jezus, wiens boodschap steunt op naastenliefde, niet zo hoog oploopt met de scrupuleuze toepassing van een hele reeks geboden en verboden, zoals gebruikelijk bij de farizeeërs, maar in dit verhaal is het vooral de zelfgenoegzaamheid van deze farizeeër die een beletsel vormt om gehoord te worden.  De farizeeër bidt niet tot God, hij is alleen maar vol van zichzelf. Hij is zò met zichzelf bezig dat hij zijn hart niet tot God kan verheffen. Zijn zgn. gebed is een opeenvolging van ik-zinnen: ik doe dit, ik doe dat. Het komt erop neer dat God hem moet danken omdat hij alles zo goed doet.  

De tollenaar daarentegen is vermorzeld van berouw en durft zijn ogen niet opslaan in de tempel. Hij weet zich door en door zondig. Hij kan onmogelijk alles nog goedmaken en restitutie doen.  Zo verschijnt hij voor God en verwacht alles van God: vergiffenis, een nieuw leven, nieuwe kansen. Hij geeft op een aangrijpend eerlijke wijze toe dat hij helemaal niets te bieden heeft, hij staat met lege handen.

Feitelijk is elk mens een armtierig wezen, volledig op Gods edelmoedigheid aangewezen.

Geen enkele sterveling is bij machte God een bundel prestaties toe te schuiven, in de stellige verwachting straks door diezelfde God uitbetaald te worden. Tegenover de mens laat God zich immers niet in een handelsrelatie manipuleren. De farizeeër stelt zich op het middelpunt, als de handelende persoon. Maar voor de tollenaar is God de handelende instantie, degene van wie alles te verwachten is.

Als je de parabel nog eens naleest, vind je de finesse van het verhaal, zie je dat God zelf in de tempel de uitnodigende persoon is. Hij is de gevende en vergevende God die de mensen tot een nieuw en beter leven wil opwekken. En die herscheppende God wacht op mensen die met geopende handen naar Hem toekomen om nieuw leven te ontvangen.

En dat nieuwe leven wordt niet gegenereerd door onze eigen voortreffelijke daden maar wordt gratuit ontvangen door de liefde van God.

Ten aanzien van God kunnen we op geen enkele manier rechten doen gelden. Het evangelie  duidt dat op veel plaatsen helder en duidelijk. Zondaars van allerlei slag lijken ons voor te gaan in het koninkrijk van God.  Augustinus zei in de vierde eeuw daarover al: “Velen zijn van de kerk zonder van het koninkrijk te zijn, velen van het koninkrijk zonder van de kerk te zijn.”

Laten we dus God en elkaar met nederigheid tegemoet gaan. Natuurlijk mogen we God best danken om onze trouw aan het evangelie, om het feit dat we een ordentelijk christelijk leven leiden. Maar die dankbaarheid zal dan vooral voortkomen uit het besef dat heel onze deugdzaamheid allereerst een gave van God is, en niet zozeer eigen prestatie.

Alleen dan zullen we na ons gebed “gerechtvaardigd” naar huis gaan!

Lied 149 Oergebaar

Tafelgebed 151 Christus de gestalte van God

Slotbezinning

Elke dag is een uitnodiging

Om goed te zijn voor jezelf

Om aan jezelf te bouwen.

Elke dag is een uitnodiging

Om jezelf te oefenen

In waardering voor dit leven

In waardering voor je kunnen.

Elke dag is een uitnodiging

Om je te verwonderen

Over zoveel goeds in anderen,

Over zoveel verlangen naar liefde.

Elke dag is een uitnodiging

Om tijd te nemen voor zorg,

Om aandachtig te leven.

Elke dag is een uitnodiging

Om elkaar te bemoedigen,

Om te bouwen aan een wereld van Liefde.      (Marinus van den Berg)

 

Lied 890: Lofzang van Zacharias

Contactinformatie

©2005-2023 Filosofenfontein

✉️   info@filosofenfontein.be

Ondernemingsnummer: 0775.603.387

Bankgegevens:"FIFO Heverlee" 

KBC: BE11 7340 3906 5848

Volg ons op Sociale media

QR Code

Door je camera op deze code te houden krijg je het adres van deze website op je smartphone of tablet. Dan kan je de hele website bekijken.