34e zondag (2025) “Want van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen!”
Jef Schoenaerts
Verwelkoming en opening
“Wees hier aanwezig”
Hoe kunnen we krachtiger deze viering openen dan met het uitzingen van het verlangen
“Wees hier aanwezig, dat ik u horen mag met hart en ziel.”
Laten we onze god - Vader/Moeder, Zoon en heiligende Geest - met deze bede verwelkomen.
Openingslied: “Wees hier aanwezig” (lied 510)
Inleiding
De kerk viert vandaag het hoogfeest van “Christus, Koning van het heelal”. Net 100 jaar geleden, in 2025, stelde paus Pius XI dit feest in als onderdeel van het verzet tegen laïcisme en atheïsme. Op het eerste gezicht wekt dit feest vandaag weinig enthousiasme.
Want: koningshuizen en koningen, ze slepen vaak een benijdenswaardige erfenis met zich mee. Over de huidige koningshuizen in de Europese landen hoor je meestal slechts smeuïge verhalen die in de boekskes bij de kapper gretig verslonden worden. De kerk suggereert op dit feest van Christus Koning als evangelielezing een gedeelte uit het lijdensverhaal volgens Lucas. En wat je daar hoort klinkt alles behalve koninklijk.
“De soldaten verdeelden zijn kleren onder elkaar…”. - “De leiders hoonden hem en zeiden: laat hij nu zichzelf redden…” - “Het volk stond toe te kijken…” - “Boven hem was een opschrift aangebracht: Dit is de koning van de joden”.
Doen we vandaag Christus wel eer aan door die titel “Koning” te gebruiken. En als we die titel toch behouden, dienen we uit te zuiveren wat we daarmee over hem willen zeggen.
Bij het begin van deze viering maken we het stil in en rondom ons. In lied 112 cirkelen we biddend rond Jezus als mysterie van ons geloof. We benoemen hem daarbij met tal van titels en namen, óók met de titel “Koning”. In geloof kan je zingend soms méér uitspreken dan je anders zou doen in de hoop dat wat je zingt, licht schept in je hart.
Bede om mededogen: lied 112
Gebed
Onnoembare en Nabije,
Jezus, Uw geliefde zoon, aanroepen we met de titel “Koning”.
En tot U bidden we met zijn eigen woorden “Uw koninkrijk kome.”
Slechts aarzelend en behoedzaam nemen we deze aansprekingen in de mond.
Want onze woorden sluiten vaak eerder de weg naar u dan ze die openbreken.
Onze woorden maken jou kwetsbaar als ze verengen en jou herleiden tot ons eigen beeld.
Maar sterker dan dat tekort leeft in ons het verlangen jouw naam in zijn volheid uit te zingen.
Breng ons in herinnering waar uw koninkrijk voor staat.
Zuiver onze geest en onze mond opdat we recht doen aan wat uw zoon tot koning maakt.
Dan maken wij Uw naam wijds, groot en heilig.
Dan komen we op het spoor van uw koninklijke bestemming voor onze wereld en zijn mensen: in Jezus vrede en verzoening brengen voor tijd en eeuwigheid. .
Amen.
Acclamatie: “Open de woorden die geschreven staan…” (lied 124)
Lezing uit het evangelie: Lucas 23, 35-43
Acclamatie: “Open de woorden die geschreven staan…” (lied 124)
Homilie
De evangelielezing leest als het perfecte eindspel in pestgedrag : leiders viseren een vreemde snuiter, maken hem belachelijk, ontkleden hem in meerdere betekenissen, geven hem een spotnaam (“bleiter”, “wijsneus”, “mankepoot”), dagen hem uit (“je durft niet, je kan niet…”) en isoleren hem. Bij dit alles rekenen ze op de zwijgende groep die enkel toekijkt. En de gepeste? Hij zwijgt meestal, vaak om groter onheil te voorkomen.
Wie anders is, doet of denkt dan de goegemeente, wie op een bepaalde manier vreemd is, wordt al snel slachtoffer van pesten, wordt mikpunt van uitsluiting. Ze zijn makkelijk te vinden in de onderste regionen van de samenleving. Ze zijn ook makkelijk te stigmatiseren: mensen in armoede zijn “profiteurs”, asielzoekers worden “gelukszoekers”, … volk dat te mijden, te vérmijden is en ook moet uitgesloten worden van ondersteuning, opvang of zorg. Makkelijke prooien want “… stem die geen naam heeft, … mensen zonder stem” (Oosterhuis) en de zwijgende groep kijkt vaak toe of kijkt weg.
In het evangelieverhaal van vandaag staat zo’n vreemde snuiter – ze noemen hem zelfs “koning” - in het middelpunt. En ook hij wordt letterlijk doodgepest.
Jezus had bij velen de verwachting gewekt dat hij het koningschap zou herstellen. De heersende klasse werd daar bijzonder zenuwachtig van en keerde zich steeds radicaler tegen hem. Daardoor kwam hij terecht in een strak proces van uitsluiting dat hem heeft vermalen. Een vreemde snuiter, die Jezus! Een vreemd koningschap ook waarin autoriteit en machteloosheid in dezelfde persoon aanwezig zijn. Autoriteit werd hem toegemeten, door het volk, maar zelfs door demonen die erkennen dat Jezus leeft vanuit een gezag dat hij van elders ontleent. Anderzijds lijkt diezelfde man wel het summum van machteloosheid, het tegenovergestelde van wat je van een koning mag verwachten. Hij laat zich als een lam naar de slachtbank leiden en opent zijn mond niet. Pilatus bezwijkt voor de willekeur van het volk: geen enkel verzet. Bespot door Herodes, door soldaten, door religieuze leiders: hij ondergaat het zonder wederwoord. De ultieme vernedering door een totale ontkleding: geen reactie. Wat moeten we vandaag met zo’n koning wiens leven niet bepaald een succesverhaal was? Of liever: wat moeten we met zo’n koningsbééld?
Een spoor van antwoord is wellicht te vinden in Jezus’ doen en laten lang vóór hij in dit dramatisch einde was verzeild. Nergens beroept Jezus zich op eigen macht. In wat hij doet, verwijst hij voortdurend naar zijn Vader als bron van zijn gezag. Daardoor wordt hij tastbaar teken van gods keuze voor het heil van mensen.
Een gelijklopend spoor van antwoord is wellicht ook te vinden in de eerste lezing. In de brief aan de Kolossenzen schrijft Paulus een indrukwekkende lofzang op Christus, zo indrukwekkend moeilijk ook dat ik u de hymne in zijn geheel bespaar. Maar één krachtige zin springt voor mij uit die tekst naar voor. Paulus schrijft “… in hem heeft God willen wonen in heel zijn volheid.” Daardoor luidt de belijdenis van Paulus in feite: in Jezus heeft god zich ten volle met ons verbonden. En aansluitend geeft hij het ultieme doel aan van deze verbintenis: god wil in Jezus verzoening en vrede brengen voor tijd en eeuwigheid. Als Jezus later tot zijn Vader bidt “Uw koninkrijk kome”, neemt hij deze opdracht – deze koninklijke opdracht – tenvolle aan en deelt hij zo in het koningschap van zijn Vader.
Als we vandaag die historisch beladen titel “Christus Koning” nog gebruiken, dan is het omdat Jezus als gods erfgenaam medestichter is van dat ultieme doel van verzoening en vrede. Zulke krachtige belijdenis dat Christus “Koning” is, kan je alleen in een hymne, in een loflied uitspreken. Je kan het zingen zoals we bij het begin van de viering deden omdat zingen de hele persoon aanspreekt en innerlijk opent. En datzelfde – het woord “koning” zingen en bidden en belijden - geldt ook voor wat we in het Onze Vader in de mond nemen: “Uw koninkrijk kome” en even later “Want van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen.”
Laten we straks rond het altaar onze deelname aan dát koningschap van verzoening en vrede met kracht uitzingen.
Kaarsjes aanbrengen met aansluitend lied 149 “Oergebaar”
Tafelgebed: “Gij die de stomgeslagen mond verstaat…” (lied 164)
Onze Vader
Communielied: “Het rijk van god…” (lied 547)
Gebed: “Gebed op de laatste zondag van het kerkelijk jaar”
Onnoembare en Nabije,
Waar nog uw schepping zucht
en wacht
tot Gij voltooit
wat Gij begonnen zijt,
geef dat wij leven
nu al
met ons hart bij U.
Beziel ons
met het visioen:
hemel en aarde nieuw,
een thuis alom
voor wie nog zoeken
en brood genoeg
voor wie nog hongeren.
Beziel ons,
dat wij wachters zijn
van heel uw goede schepping,
waakzaam, bereid
de tekenen te kennen.
Wij openen ons hart
voor U
opdat Uw Geest kan dalen
en worden
tot onze eigen adem.
(Sytze de Vries “Bij gelegenheid I” pag. 191
Zegen
